— Content Hub

Attributie in B2B: waar ik mee leef en waar ik mee gestopt ben

"Gezien op een bestelwagen." Twee echte klanten, echte omzet, en in geen enkel dashboard te vinden. Welke attributiemodellen ik losliet in B2B, wat ik in de plaats doe, en hoe ik dat aan een directie uitleg.

Attributie in B2B: waar ik mee leef en waar ik mee gestopt ben

In dit artikel

“Gezien op een bestelwagen.” Dat antwoordde een klant van een van mijn klanten op de vraag hoe die bij het bedrijf terechtgekomen was. Een andere schreef: “via de buren.” Twee echte klanten met echte omzet, en in geen enkel dashboard te vinden. Zo werkt attributie in B2B: het belangrijkste ontsnapt aan je meting.

Toch stelt elke zaakvoerder na een goede maand dezelfde vraag: welk kanaal heeft die klant opgeleverd? Jarenlang gaf ik daar een te zeker antwoord op. Google Ads. Of LinkedIn. Met een rapport erbij dat het bewees.

Vandaag antwoord ik anders. Meerdere kanalen, een bestelwagen, en ik weet niet exact in welke verhouding. Dat klinkt zwakker, maar het is eerlijker. En ik neem er betere budgetbeslissingen mee dan vroeger met mijn zekere rapporten.

Hieronder lees je welke modellen ik losgelaten heb, wat ik nu doe, en hoe ik dat uitleg aan een directie zonder in een Excel-mist te verdwijnen.

Het rapport dat gelijk had en toch fout zat

Onlangs keek ik naar een campagne over meerdere kanalen. Facebook leverde veruit de meeste conversies op. Op papier dus de winnaar. Tot ik naar de kwaliteit van die leads keek.

De leads uit Google Ads en LinkedIn waren duurder. Maar dat waren wel de leads die euro’s opleverden. De Facebook-leads waren talrijk en goedkoop, en ze gingen nergens heen.

Het rapport had dus gelijk over de aantallen. Het zag alleen het verschil niet tussen vraag creëren en vraag vangen. Google vangt mensen die al zoeken. LinkedIn zet een merk voor de neus van mensen die nog niet zoeken maar wel beslissen. Facebook bereikte vooral mensen die nooit gingen kopen. Drie kanalen met elk een ander werk, en toch stonden ze naast elkaar op één cijfer.

En dan de vraag die erna kwam. Waar in het traject van die goede klanten zat die Google- of LinkedIn-klik? Was het de eerste kennismaking of de laatste stap voor de offerteaanvraag? Ik wist het niet, en het rapport ook niet. Zolang je dat niet weet, weet je ook niet wat je moet opschalen.

Waarom attributie in B2B nooit helemaal klopt

Attributie belooft één ding: elke euro omzet toewijzen aan de marketingactie die hem veroorzaakte. In een webshop met een aankoop van dertig euro en een beslissing van vijf minuten kom je daar redelijk ver mee. In B2B niet, want daar klopt de aanname al niet.

De cyclus is lang. Tussen het eerste contact en de handtekening zitten vaak maanden. Cookies leven zo lang niet, en consentbanners al helemaal niet.

Er beslist een groep. De persoon die je website bezoekt is zelden de persoon die tekent. Een projectleider leest je blog, terwijl een aankoper offertes vergelijkt en de zaakvoerder een kennis belt. Je tracking ziet er één van, als je geluk hebt.

Het belangrijkste gebeurt buiten je zicht. Een aanbeveling op een netwerkevent, of een bestelwagen op de weg. In B2B is dat de hoofdweg, geen zijweg.

En sinds kort zijn er de AI-tools. Iemand vraagt aan ChatGPT, Claude of Gemini welke partij ze moeten overwegen, krijgt jouw naam en typt die rechtstreeks in. In je rapport staat dan “direct verkeer”. Een blinde vlek met een nette naam.

Kortom: je attributiemodel meet wat het kan meten, en presenteert dat als het geheel. Daar zit het probleem met attributie in B2B.

Attributie in B2B: waar ik mee gestopt ben

Kanalen vergelijken zonder te weten wat een conversie is

De Facebook-vergelijking ging al fout vóór er een cijfer op tafel lag. “Conversie” betekende per kanaal iets anders: een formulier hier, een download daar. Als je die op één hoop gooit, wint het kanaal met het goedkoopste soort conversie. Altijd.

Daarom definieer ik nu eerst de trap: aanvraag, gekwalificeerde aanvraag, opportuniteit, klant. Elk kanaal beoordeel ik vervolgens op de trede waar het thuishoort.

Attributie in B2B: trap met vier treden (aanvraag, gekwalificeerd, opportuniteit, klant) waarop je elk kanaal apart beoordeelt

Last-click als waarheid

Het standaardmodel in bijna elk rapport. De laatste klik krijgt de volledige eer. Zo beloon je consequent de kanalen onderaan de funnel, zoals branded search en retargeting. Dat zijn kanalen die vraag oogsten. De kanalen die vraag maken, krijgen niets.

Het gevolg laat zich raden. Het budget verschuift naar wat “converteert”, de bovenkant droogt op, en zes maanden later vraagt iedereen zich af waarom de branded zoekopdrachten dalen.

Data-driven attributie in B2B: GA4 als orakel

Het klinkt objectief: een algoritme verdeelt de credit op basis van patronen. Google legt in zijn eigen documentatie over attributie uit hoe dat model werkt. Maar dat algoritme ziet alleen wat getrackt wordt, en in B2B is dat een fractie. Bij enkele tientallen conversies per jaar is er bovendien te weinig data om patronen uit te halen. Dan krijg je een model dat zelfverzekerd oogt en weinig zegt.

Ik gebruik GA4 nog steeds. Alleen niet om te beslissen wie de eer krijgt.

Bij elke deal vragen “welke campagne was het?”

Sales heeft daar geen antwoord op, en eerlijk gezegd is het ook de verkeerde vraag. De klant weet zelf vaak niet meer wat de eerste aanraking was. Wat de klant wél weet, is waarom ze uiteindelijk voor jou kozen. Daar heb je veel meer aan.

Scoringsmodellen die alles meten en niets weten

In een vorige rol, bij een multinational, werkte ik met Pardot en een leadscoringmodel. Elke online interactie kreeg een score. Alles opgeteld gaf een leadscore, en die moest sales vertellen wie warm was.

In de praktijk werd die score meestal genegeerd. Om twee redenen.

Ten eerste was de input onvolledig. Het model vroeg discipline om elk contact te loggen, en die discipline was er zelden. Een telefoongesprek dat niet in het systeem stond, of een beurscontact dat nooit werd ingevoerd: het model wist er niets van. Dus klopte de score niet, dus vertrouwde sales ze niet, dus logde sales nog minder.

Ten tweede scoorde het model alleen gedrag, zonder fit. Wie drie whitepapers downloadde, scoorde hoger dan een zaakvoerder die één keer de prijspagina bekeek. Volume van interacties zegt echter niets over wie er beslist.

Ik verwijt dat Pardot niet. Dit gebeurt met elk model dat meer vraagt dan mensen bereid zijn te geven, en dat activiteit verwart met intentie.

Attributie in B2B: waar ik mee leef

Wat overblijft is minder elegant en meer bruikbaar. Eén vraag als hoofdbron, een paar simpele metingen ernaast, en de bereidheid om af en toe een kanaal uit te zetten.

De hoofdbron: “Hoe heb je ons gevonden?”

Een open tekstveld in elk formulier, en dezelfde vraag in elk intakegesprek. Geen dropdown, want een dropdown stuurt het antwoord. Dit voer ik bij klanten in vóór al de rest, omdat het de enige methode is die de bestelwagen en de buren zichtbaar maakt.

De antwoorden zijn rommelig. “Via via.” “Gezien op LinkedIn denk ik.” Net daarom kloppen ze. Na een paar maanden zie je zo patronen die in geen enkel dashboard staan.

Het kost niets. Je moet alleen de vraag stellen en de antwoorden bijhouden.

Drie velden in het CRM, niet meer

De les van het scoringsmodel: vraag weinig, en het wordt ingevuld. Vraag alles, en het wordt niets. Dus hou ik het bij drie velden.

  • Zelfgerapporteerde bron: het antwoord op de vraag hierboven
  • Eerste gekende bron: waar de eerste meetbare aanraking vandaan kwam
  • Laatste aanraking voor de offerte: wat de klant deed net voor het contact

Die drie naast elkaar geven geen exacte verdeling. Ze geven wel een verhaal per deal. En over twintig deals wordt dat verhaal een patroon.

Succes per kanaal vooraf vastleggen

Dit is de stap die ik vroeger oversloeg. Elk kanaal krijgt daarom een eigen meetlat, afgestemd op de fase waarin het werkt.

Kanaal Fase Waarop ik het beoordeel
LinkedIn (organisch en betaald) Nog niet aan het zoeken Bereik bij de juiste bedrijven, terugkerend bezoek, vermeldingen als bron
SEO en content Aan het oriënteren Bezoek van relevante bedrijven op dienstenpagina’s, aanvragen op termijn
Google Ads Aan het zoeken Gekwalificeerde aanvragen, kost per opportuniteit
Retargeting Aan het beslissen Alleen via een incrementaliteitstest, nooit op eigen conversies
Facebook Meestal geen van bovenstaande in B2B Bijna niets, tenzij een test het tegendeel bewijst

Zo wordt “LinkedIn levert minder conversies dan Google” geen verwijt meer. Dat is de bedoeling.

Attributie in B2B meet je op bedrijfsniveau

Een B2B-aankoop wordt door een bedrijf beslist, niet door de persoon die toevallig klikte. Dus meet ik op dat niveau. Via website visitor identification zoals Leadinfo zie je welke organisaties je website bezoeken, welke pagina’s ze bekijken en hoe vaak ze terugkomen. Wie er precies klikte, zie je niet, en dat hoeft ook niet.

Als een bedrijf bijvoorbeeld drie keer de dienstenpagina bezoekt in de week voor een offerteaanvraag, dan weet je wat de website in die deal deed. Meer over hoe ik koopsignalen op bedrijfsniveau lees, staat in een apart artikel.

Incrementaliteit: kanalen uitzetten en kijken

Wil je weten wat een kanaal echt bijdraagt? Zet het dan vier tot acht weken uit en kijk wat er met het totaal gebeurt. Niet met de conversies van dat kanaal, maar met het totaal aantal gekwalificeerde aanvragen.

Ik heb dit gedaan, en ik ga hier geen staalharde resultaten voorleggen. Die krijg je in B2B met lage volumes ook niet. Wat je wel krijgt, is richting: het totaal zakt merkbaar, of het zakt niet. In beide gevallen weet je meer dan voordien, en het kostte je alleen wat geduld.

Omgekeerd werkt ook: iets tijdelijk opschalen en het totaal volgen. Geen perfecte wetenschap, maar wel de enige test die de echte vraag beantwoordt. Verandert er iets als dit kanaal er niet is?

Pipeline en omzet per bron, niet leads per kanaal

Op directieniveau kijk ik naar het geheel, en ik tel geen leads. Ik tel wat leads waard zijn.

  • Totaal marketingbudget tegenover nieuwe klanten: de gemengde CAC (hoe je die berekent, staat in mijn artikel over CAC)
  • Hoeveel maanden een nieuwe klant nodig heeft om die kost terug te verdienen
  • Pipeline en omzet per zelfgerapporteerde bron: welke bron gaf de klanten die betaalden?

Die laatste rij is de rij waar de bestelwagen en LinkedIn plots naast elkaar staan. En waar Facebook meestal verdwijnt.

De kwartaalafspraak met sales

Wat ik elke klant aanraad, en wat toch zelden structureel gebeurt: elk kwartaal een uur met sales, zonder dashboard. Tien gewonnen deals en tien verloren deals. Per deal wil ik weten wat de aanleiding was, wie er mee aan tafel zat en wat de doorslag gaf.

Sales weet wat geen enkele tool weet. Marketing weet wat sales nooit ziet. Dat uur is daarom de snelste weg om marketing en sales op één lijn te krijgen zonder over cijfers te ruziën.

Zo zet je attributie in B2B praktisch op

  1. Definieer de trap: aanvraag, gekwalificeerd, opportuniteit, klant. Vóór je één kanaal vergelijkt.
  2. Voeg het open veld toe aan elk formulier en elk intakegesprek. Vandaag nog.
  3. Maak de drie CRM-velden verplicht bij elke nieuwe deal. Niet meer dan drie.
  4. Leg per kanaal vast wat succes is, afgestemd op de fase waarin het werkt.
  5. Plan één incrementaliteitstest per kwartaal. Eén kanaal, vier tot acht weken, totaal volgen.
  6. Zet het uur met sales in de agenda als vast kwartaalmoment.

Een attributiemodel is dit niet. Het is een manier van werken die met onzekerheid kan leven zonder blind te varen.

Wat ik daarmee aan een directie toon

Een directie wil geen kanaalverdeling met decimalen. Die wil weten of het geld goed besteed is en of ze meer of minder moet uitgeven. Dus toon ik dit:

Wat Waarom
Gemengde CAC en terugverdientijd, per kwartaal De enige vraag die er financieel toe doet
Pipeline en omzet per zelfgerapporteerde bron Wat de klant zelf als aanleiding ziet, bestelwagen inbegrepen
Per kanaal: het cijfer dat bij zijn fase hoort Zodat Facebook niet wint op volume terwijl LinkedIn wint op omzet
Resultaat van de laatste incrementaliteitstest Bewijs dat een kanaal iets toevoegt, of niet
Drie inzichten uit het uur met sales De context die cijfers niet geven

Geen van die rijen claimt precisie die er niet is. Daarom vertrouwt een directie ze wél.

Conclusie: attributie in B2B is een verwachtingsprobleem

Je lost attributie in B2B niet op met een betere tool. Wie exacte toewijzing per kanaal eist, krijgt een rapport dat mooi oogt en verkeerde beslissingen voedt. Wie aanvaardt dat het beeld onvolledig is, kan met één goede vraag en een paar simpele metingen verrassend scherp sturen.

En ja, ik doe dit vooral bij klanten. Bij Digimingo zelf draait mijn attributie nog altijd op “ik weet het gewoon”. De loodgieter met de lekkende kraan, zeg maar. Het staat op de lijst.

Wil je weten waar jouw huidige rapportering je op het verkeerde been zet? Begin dan met een gesprek.

Veelgestelde vragen

Wat is attributie in B2B-marketing?

Attributie is het toewijzen van een verkoop aan de marketingkanalen die eraan bijdroegen. In B2B is dat lastig, omdat de aankoopcyclus lang is, een groep beslist en veel contactmomenten niet meetbaar zijn.

Welk attributiemodel is het beste voor B2B?

Geen enkel model geeft in B2B een betrouwbare verdeling. Zelfgerapporteerde attributie als hoofdbron, aangevuld met vaste CRM-velden, meting op bedrijfsniveau en incrementaliteitstests, geeft meer bruikbaar inzicht dan last-click of data-driven modellen.

Wat is het verschil tussen vraag creëren en vraag vangen?

Vraag vangen is aanwezig zijn wanneer iemand al zoekt, zoals in Google Ads. Vraag creëren is zorgen dat je merk gekend is vóór iemand zoekt, bijvoorbeeld via LinkedIn of aanbevelingen. Beide zijn nodig, maar ze mogen niet op hetzelfde cijfer beoordeeld worden.

Waarom is last-click attributie misleidend?

Last-click geeft alle eer aan het laatste contactmoment voor de conversie. Daardoor lijken kanalen onderaan de funnel belangrijker dan ze zijn, terwijl kanalen die de vraag creëren onderschat worden.

Wat is zelfgerapporteerde attributie?

Je vraagt de klant zelf hoe die bij jou terechtkwam, via een open veld in een formulier of tijdens het intakegesprek. Het is de enige methode die aanbevelingen, gesprekken en offline bronnen zichtbaar maakt.

Hoe meet je of een marketingkanaal echt iets bijdraagt?

Met een incrementaliteitstest: zet het kanaal een aantal weken uit of schaal het bewust op, en volg het totale aantal gekwalificeerde aanvragen. Verandert het totaal niet, dan voegde het kanaal minder toe dan het rapport suggereerde.

Achter dit artikel zit één persoon.

Dezelfde die je site bouwt of je campagnes draait. Heb je een vraag over je eigen situatie, dan krijg je daar een eerlijk antwoord op — rechtstreeks van mij.

Meer info? I got you!